Stille ondervoeding aan de borst

Tevreden kinderen die bij borstvoeding niet voldoende groeien dienen door de arts te worden onderzocht.

Er zijn kinderen die het in het begin om onduidelijke reden ‘niet lekker doen’, een situatie die gemakkelijk kan leiden tot een problematisch ‘niet gedijen’ of ‘stille ondervoeding’. Dit fenomeen staat ook bekend als Failure to Thrive.

Risicofactoren bij het kind:
  • Prematuur/dysmatuur
  • Langdurig geel zien
  • Kinderen met Syndroom van Down
  • Afwijkingen in mond- en/of keelgebied
  • Baby’s die rond de vijfde dag minder dan twee tot drie keer ontlasting of minder dan vijf tot zes kletsnatte luiers per etmaal hebben
  • Baby’s die na twee weken nog onder het geboortegewicht zijn.
Risicofactoren bij de moeder:
  • Ingetrokken tepels waardoor het kind niet goed pakt
  • Afwijkingen aan de borsten, zoals erg asymmetrische of langwerpige borsten
  • Tepelkloven of andere hardnekkige pijn aan de borst
  • Extreme en langdurige stuwing
  • Melkproductie die op dag vier nog niet op gang is.
  • Erfelijke ziektes bv: Diabetes Mellitus of hypothyreoïdie
  • (Geen goed) gebruik van een tepelhoedje
Symptomen bij de baby:
  • Groeit nauwelijks of valt af
  • Heeft weinig sterk geconcentreerde urine en minder ontlasting die donker en vaak hard is
  • Huilt zwakjes of juist met een hoge schelle stem
  • Of: juist “heel tevreden” (stille ondervoeding)
Voorlichting en advies

Voortdurende nabijheid en huidcontact stimuleren de hormonale functie bij de moeder (zie ook richtlijn 7). Als de baby snel meer moet aankomen is het zaak voldoende bijvoeding te geven. Dat kan als volgt gebeuren:

  • Eerst beide borsten aanbieden
  • Afgekolfde moedermelk geven, zo nodig nog aangevuld met kunstvoeding
  • Nakolven van beide borsten met een elektrische kolf.

De constatering “stille ondervoeding” is een indicatie voor verwijzing naar een lactatiekundige.

Sluit de enquête