Op gang brengen van borstvoeding

Voor het stimuleren van de borstvoeding zijn frequent en goed aanleggen en voeden op verzoek van groot belang.

In de eerste 24 uur moet een baby vaak 'bijkomen' en is 'moe' van de bevalling. De tijd die een baby rust tussen de voedingen is afhankelijk van het ritme van de baby. Minimaal 8 voedingen met géén maximum. Wanneer een baby binnen 24 uur niet geplast heeft, (let ook op de eerste urinelozing na de geboorte) moet worden nagegaan of de oorzaak bij het kind ligt (urinewegaandoening) of bij de moeder. Verbetering van de manier van aanleggen en vaker aanleggen zijn meestal voldoende om vocht-/voedingsinname te vergroten.

In de eerste paar dagen heeft een baby niet veel honger, maar wil regelmatig drinken. Dit biedt moeder en kind de mogelijkheid om de borstvoeding te oefenen, alvorens het colostrum overgaat in overgangsmelk en vervolgens in rijpe melk. Vooral als moeder en baby de techniek niet goed beheersen, kan dit leiden tot verminderde melkinname bij de baby, waardoor deze te sterk afvalt. 
Het op gang komen van de borstvoeding kan óngeveer vijf dagen duren. Vaak aanleggen in de eerste dagen na de geboorte kan sterke gewichtsafname en kraambedstuwing verminderen. Daarnaast garandeert het ook een voldoende opname van colostrum, met de daarin voorkomende onontbeerlijke stoffen voor groei, ontwikkeling, immuunsysteem en zorgt voor conditionering van de melkvormende processen.

Tijdens de voeding verandert de moedermelk van samenstelling. Door lang genoeg aan de borst te drinken kan de borst optimaal geleegd worden. De baby mag zo lang en zo vaak drinken als hij zelf wil. De toeschietreflex is hierbij onontbeerlijk.

Spanning, onrust en stress kunnen een negatieve invloed hebben op het tot stand komen van de toeschietreflex, welke onder invloed staat van het hormoon oxytocine. Rust, warmte en ontspanning en daarnaast het zuigen van de baby aan de tepel zorgen ervoor dat de melk uit de melkgangen naar de tepel stroomt (toeschietreflex). Daarnaast is het bevorderlijk voor de borstvoeding om huid op huid toe te passen. Dit stimuleert de productie, de band tussen moeder en kind en het natuurlijke gedrag.          

Voorlichting of advies

Tijdens de kraamweek is het minimaal 8 x voeden zonder een maximum aantal voedingen. Daarna 7 tot 8 voedingen. Een minimum aantal voedingen is belangrijker dan een maximum (Bron: Begeleiding bij Borstvoeding; Adrienne de Reede).

  • Bij iedere voeding worden één of beide borsten aangeboden totdat melkproductie goed op gang is
  • De voeding erna wordt begonnen met de borst, die het laatste gegeven werd, of die de keer daarvoor niet werd aangeboden
  • Als de voeding goed op gang is (na ongeveer 4 dagen), moeten er minimaal 5 a 6 flinke natte luiers zijn per 24 uur. De duur van de voeding wordt grotendeels door de baby bepaald en is afhankelijk van de frequentie van het voeden.  
Sluit de enquête