Bijvoeden in de eerste dagen

De baby met borstvoeding krijgt tot ongeveer zes maanden geen andere voeding dan borstvoeding, tenzij op medische indicatie. Het is van belang uitdroging (dehydratie) en ondervoeding bij de baby tijdig te herkennen.

Advisering: In de kraamtijd
Let bij een gewichtsverlies vanaf 7% ten opzichte van het geboortegewicht bij de pasgeborene op signalen van onvoldoende melkinname. 
Evalueer en optimaliseer het borstvoedings-proces bij een gewichtsverlies vanaf 7% ten opzichte van het geboortegewicht. Leg de moeder uit dat het belangrijk is dat ze haar baby frequenter aanlegt, dat ze zorgvuldig aanlegt en dat ze de baby lang genoeg aan de borst laat drinken. Het is noodzakelijk een lactatiekundige te consulteren. 
Zorg, als een baby 7- 10% of meer is afgevallen actief voor een grotere melkinname. Indicatiestelling hiervan door de verloskundige, huisarts of kinderarts. Bijvoeden gebeurt bij voorkeur met afgekolfde moedermelk. Indien deze niet voorradig is, wordt bijgevoed met kunstmatige zuigelingenvoeding. De moeder krijgt uitleg over hoe zij kan zien of haar baby voldoende melk drinkt. Een dag later of zo nodig eerder vindt evaluatie plaats. Overleg met en/of verwijs door naar de kinderarts, indien er geen verbetering in de situatie optreedt. 

Volgens de definitie van de WHO en GHI is bijvoeden: "Alles wat er aan het kind wordt aangeboden naast de borstvoeding, dus ook water is bijvoeding". In het algemeen geldt dat bijvoeding niet met een fles gegeven wordt in verband met mogelijke tepel-/speenverwarring (zie richtlijn 18). Soms moet de baby in de eerste dagen bijgevoed worden, bijvoorbeeld: Als de baby te zwak is om goed te zuigen, bijvoorbeeld bij prematuriteit of ziekte of als de moeder niet bij alle voedingen bij haar baby kan zijn.

Geen reden voor bijvoeden 
  • Afvallen de eerste dagen (5 tot 7%) In het MUMC+ en Zuyderland MC wordt niet bijgevoed tot een gewichtsverlies van 10%
  • Fysiologische geelzucht.
Redenen voor bijvoeden kunnen zijn:
  • Op medische indicatie (bv. bij een prematuur, schisis, syndroom van Down)
  • Bij á terme pasgeborenen met een geboortegewicht van < p10
  • Bij de preventie van hypoglykemie bij een pasgeborene met een verhoogd risico zoals: geboortegewicht > 90ste percentiel; na perinatale stress; bij een Apgarscore < 5 na 5 minuten of bij navelstreng pH < 7.0
  • Hypothermie; bij een temperatuur < 35.1
  • Bij verdenking op infectie
  • Bij respiratoire distress
  • Als de baby de borst weigert
  • Als de zuigtechniek niet goed is
  • Medicijngebruik door de moeder
  • Dehydratie.

Bijvoeden betekent starten met kolven!

Voorlichting of advies

Als er bijvoeding wordt gegeven, hanteer dan de volgende volgorde: Afgekolfde moedermelk (zie alternatieven); Volledige zuigelingenvoeding.

Voorkeurs-alternatieven zijn:
  • Vingervoeden
  • Cupfeeding of borstvoeding geven in kopje
  • Lepeltje
  • Borstvoedingshulpset

Bij voeden met een lepeltje duurt het langer om voldoende voeding naar binnen te krijgen, zodat de baby eerder moe wordt. Verder is het lastig om zowel de baby, het kopje en de lepel vast te houden. 

Voorwaarde voor deze alternatieven zijn: een goede mondmotoriek, zuig –en sliktechniek. Als er grote hoeveelheden bijvoeding gegeven moeten worden, gebruikt men bij voorkeur een vingervoedingsset, een kopje (zie cupfeeding), of de borstvoedingshulpset. In Zuyderland MC wordt bijgevoed d.m.v. vingervoeden. De wijze van bijvoeden, vingervoeden of eventueel fles wordt samen met de ouders bepaald, waarbij in eerste instantie vingervoeden als voorkeur wordt aangegeven. In bepaalde gevallen is sondevoeding geïndiceerd. In het MUMC+ wordt op de kraamafdeling bij-gevoed m.b.v. een borstvoedingshulpset of cup. Op de neonatologie aldaar wordt gebruik gemaakt van sondevoeding, borstvoedings-hulpset of vingervoeden. In incidentele gevallen wordt een fles aangeboden. Indien een fles gebruikt wordt, dan een fles met speen met een klein gat.

  • Vingervoeden

    De techniek van het vingervoeden (zuigen, slikken, ademhalen) komt het meest overeen met de techniek van zuigen aan de borst. Het is daarmee de beste zuigtraining. Het risico van zuigverwarring ten opzichte van de borst, is minimaal.

    Werkwijze vingervoeden

    Benodigde materialen:

    • een spuitje (20 of 60 cc) 
    • een fingerfeeder
    • opgewarmde moedermelk
    • handschoenen voor de hulpverlener

    Neem een comfortabele houding aan zodanig dat de baby in jouw richting kijkt. Voeding optrekken in de spuit. Stimuleer de onderlip door er met de vinger over te wrijven, alsof je met de tepel de lip stimuleert. De vinger kan dan gemakkelijk naar binnen. Het tongetje van de baby ligt omlaag en voorwaarts over de onderste kaakrand heen. In deze positie masseert de baby de voeding normaal gesproken uit de borst. Het spuitje wordt naast de wijsvinger in het mondje van de baby gebracht tot daar waar het harde gehemelte overgaat in het zachte gehemelte (± 1,5 cm). De vinger moet zo dik zijn als de tepel van de moeder (oefening baby). Laat vervolgens het kind 10-12 keer zuigen op de vinger voordat er voeding geïntroduceerd wordt. De voeding kan per 0,3-0,5 cc gedoseerd worden.

  • Cupfeeding

    Hiermee kan begonnen worden zodra de baby (een of twee keer per dag) zelf oraal, voeding tot zich kan nemen, soms als aanvulling op de sondevoeding. Elke baby, die kan slikken, kan uit een cupje drinken. Het kost weinig energie. Bij voorkeur wordt verse moedermelk van de eigen moeder gegeven. Vergeleken met sonde gaat bij voeden uit een cupje minder vet van de afgekolfde moedermelk verloren. Eventueel kan ook kunstmatige zuigelingenvoeding worden gegeven, als geen moedermelk beschikbaar is.

    Werkwijze cupfeeding

    Gebruik voor kleine baby’s een speciaal cupje, een 60 cc maatbekertje/medicijnbekertje, een klein kopje of een borrelglaasje. Grotere à terme geboren zuigelingen kunnen ook uit een groter glas of beker drinken. De rand moet glad zijn en vrij dun; het kopje moet halfvol zijn.

    • Houd de baby rechtop, zittend op schoot en ondersteun het hoofdje.
    • Sla een omslagdoek om de baby heen zodat zijn zwaaiende handjes niet het cupje omgooien
    • Laat het cupje licht rusten op de onderlip en in de mondhoekjes van de baby
    • Houd het cupje schuin zodat de baby met zijn tong erbij kan
    • Giet de voeding niet in het mondje, maar laat de baby in zijn eigen tempo met zijn tongetje de melk naar binnen likken
    • Houd het cupje tijdens de hele voeding in de juiste positie
    • Laat de baby tussendoor rusten zonder het cupje weg te nemen.

    Let op: de baby leert hier niet om te gaan zuigen. Deze methode is alleen geschikt om gedurende een korte periode (2 à 3 dagen) de baby voeding te kunnen geven.
    Pas op voor verslikken.

  • BOS

    Deze geeft de mogelijkheid om aanvullende voeding (afgekolfde moedermelk of kunstvoeding) op een zodanige wijze te drinken dat de normale borstvoedingssituatie wordt geëvenaard. Dit stimuleert de productie van moedermelk. Het geeft de baby de gelegenheid een goede zuigtechniek te ontwikkelen en tegemoet te komen aan de zuigbehoefte. Het contact tussen moeder en kind is hierbij optimaal.

    Werkwijze
    • De baby krijgt zijn voeding (liefst afgekolfde moedermelk) via een dun slangetje dat op de tepel van de moeder geplakt is.
    • Het slangetje is aan de andere kant bevestigd aan een flesje. Dit hangt met een touwtje om de hals van de moeder. 
    • Bij goed zuiggedrag wordt de baby direct beloond doordat de melk gemakkelijk stroomt. Een nadeel is dat je moet oppassen dat de baby niet alleen zuigt aan het slangetje maar ook de tepel (en tepelhof) in de mond neemt. Hierbij is lactatiekundige begeleiding noodzakelijk.
Sluit de enquête